EEN GESLAAGD BEROEP TEGEN DE OPHEFFING VAN EEN FAILLISSEMENT VEREIST EEN AANNEMELIJKHEID VAN BATEN

9 juli 2020

De negatieve boedel
De problematiek rondom een negatieve boedel is een bekend fenomeen binnen de insolventiepraktijk. Van een negatieve boedel is sprake indien een gefailleerde vennootschap over onvoldoende baten beschikt om de faillissementskosten (waaronder het salaris van de curator) te kunnen betalen. Wanneer sprake is van een negatieve boedel, kan de rechtbank ex artikel 16 Faillissementswet (‘‘Fw”) de opheffing van het faillissement uitspreken. Met de opheffing eindigt het faillissement en houdt de rechtspersoon op te bestaan.

De vraag of er al dan niet voldoende baten aanwezig c.q. nog te realiseren zijn, is dikwijls voer voor discussie. Zo ook in de onderhavige zaak, waarover de Hoge Raad zich op 5 juni 2020 heeft uitgelaten.

Casus
Op 28 augustus 2012 werd het faillissement uitgesproken van de besloten vennootschap X, welk faillissement vervolgens op 5 maart 2019 wegens een gebrek aan baten is opgeheven.

Een aantal schuldeisers was het niet eens met de opheffing en kwam op grond van artikel 18 Fw in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank. De schuldeisers betoogden dat de curator onvoldoende onderzoek had gedaan naar de mogelijkheden om met succes een vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid in te stellen tegen de bestuurders.

De curator stelde zich op het standpunt dat hij voldoende onderzoek had gedaan en dat er voor hem onvoldoende grond was om aan te nemen dat de vordering kans van slagen zou hebben. Bovendien leken de bestuurders geen verhaal te bieden voor de vordering, zo stelde de curator, en hadden de verzoekers nagelaten om hem te wijzen op concrete verhaalsmogelijkheden.

Het hof diende te beoordelen of er al dan niet voldoende baten beschikbaar waren voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden. Het hof benadrukte dat de voornoemde toetsing zeer beperkt is en concludeerde dat er onvoldoende baten beschikbaar waren. Op het moment van toetsing was sprake van een lege boedel en reeds meer dan € 20.000 aan niet betaalde kosten van de curator. Het hof ging mee in het verweer van de curator dat de verzoekers hadden nagelaten om aannemelijk te maken dat er nog wel baten aanwezig waren. Het hof bekrachtigde dan ook op 23 mei 2019 de beschikking van de rechtbank.

Arrest Hoge Raad 5 juni 2020
De verzoekers stelden vervolgens cassatie in en betoogden dat het hof artikel 16 Fw onjuist had toegepast. De Hoge Raad oordeelt evenwel dat de schuldeiser, die op de voet van artikel 18 Fw opkomt tegen de opheffing van het faillissement, aannemelijk moet maken dat de boedel voldoende baten heeft voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden. Het oordeel van het hof dat de schuldeisers niet aannemelijk hadden gemaakt dat nog wel voldoende aanwijzingen voor verhaalsmogelijkheden bestonden, achtte de Hoge Raad begrijpelijk.

Conclusie
Het arrest van de Hoge Raad bevestigt dat het op de weg van een schuldeiser ligt om aannemelijk te maken – en bij betwisting te bewijzen – dat er nog baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te betalen.

Bron: ECLI:NL:HR:2020:1016 (Geelen q.q./schuldeisers X)

Voor meer informatie:
Wilt u meer weten over voornoemde procedure of heeft u een andere vraag? Neem dan gerust contact op.

mr. Annefleur Bastin
06 82 42 99 16
bastin@vanzeijlbijlaartsen.nl