ONTSLAGVERGOEDING VALT IN CASU NIET IN DE GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN

20 juni 2019

Een man en vrouw zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd welk huwelijk in mei 2016 wordt ontbonden door een echtscheiding. De man is in loondienst, maar op 31 maart 2015 tekenen hij en zijn werkgever een vaststellingsovereenkomst, waarin staat dat de man in het kader van de beëindiging van het dienstverband per 1 juli 2015 een beëindigingsvergoeding zal ontvangen van € 169.694,84 bruto als tegemoetkoming voor de in de toekomst te derven inkomsten.

Gerechtshof
In eerste instantie bepaalt het Gerechtshof dat de man een bedrag van € 38.941,37 aan de vrouw dient te voldoen ter zake van de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding, daartoe als volgt overwegende:
‘Het hof stelt voorop dat voor het, op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW, maken van een uitzondering op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat, slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is. In een geval zoals de onderhavige, waarin het gaat om een schadeloosstelling aan een werknemer in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is geen sprake van een zodanig uitzonderlijk geval (…). Echter, nu het dienstverband van de man bij de werkgever per 1 juli 2015 is geëindigd en hij pas op 30 juli 2015 bij zijn huidige werkgever (…) in dienst is getreden (…), staat vast dat de beëindigingsvergoeding gedeeltelijk de strekking heeft (gehad) van een inkomenssuppletie ter vervanging van gederfd arbeidsinkomen, en wel over de periode van 1 juli 2015 tot 30 juli 2015. Het hof ziet dan ook aanleiding een gedeelte van de beëindigingsvergoeding gelijk aan een netto maandsalaris ter hoogte van het laatstgenoten inkomen bij [werkgever] als aan de man verknocht aan te merken. Blijkens de salarisspecificatie van [werkgever] van juni 2015 (…) bedroeg het netto maandinkomen van de man € 3.570,80. Het hof zal dit bedrag in mindering brengen op het totaalbedrag dat de man als beëindigingsvergoeding heeft ontvangen. [Vast staat] dat er door [werkgever] in totaal een bedrag van € 81.453,53 aan de man is uitgekeerd (…). Derhalve resteert er een bedrag van € 77.882,73 (…) dat – conform het wettelijk uitgangspunt – bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. Dit brengt met zich dat de man aan de vrouw ter zake van de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding van [werkgever] een bedrag van € 38.941,37 dient te betalen.’ De man gaat in cassatie.

Hoge Raad 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:273
De Hoge Raad overweegt anders dan het hof. In HR 23 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:270 hoofdregel) is geoordeeld dat een (aanspraak op een) ontslagvergoeding die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten, niet in de gemeenschap valt voor zover deze ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, en dat dit ook geldt indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-BV. In casu staat vast dat de aanspraak op de beëindigingsvergoeding strekte tot vervanging van inkomen uit arbeid van de man in de periode vanaf 1 juli 2015. Nu de huwelijksgemeenschap tussen partijen – door de indiening van het (later ingewilligde) echtscheidingsverzoek – op grond van artikel 1:99 lid 1 sub b BW op 25 juni 2015 werd ontbonden, strekte de aanspraak op de beëindigingsvergoeding geheel tot vervanging van inkomen uit arbeid in de periode ná de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Daarmee valt de aanspraak op de beëindigingsvergoeding buiten de huwelijksgemeenschap. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof.

Voor meer informatie:
Charlotte Gazendam
gazendam@vanzeijlbijlaartsen.nl
T: 0341-420606

Meer weten?
Wij helpen u graag verder