OP 1 JULI 2021 IS DE WET BESTUUR EN TOEZICHT RECHTSPERSONEN IN WERKING GETREDEN

15 juli 2021

De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Wbtr) is op 1 juli 2021 in werking getreden en heeft onmiddellijke werking. De Wbtr beoogt de kwaliteit van het bestuur en toezicht van verschillende soorten rechtspersonen, en met name van verenigingen en stichtingen, te verbeteren. Hoewel het Burgerlijk Wetboek Boek 2 al een dergelijke regeling voor de besloten en naamloze vennootschappen kent, wordt die regeling nu voor alle rechtspersonen gelijk getrokken.

De belangrijkste wijzigingen zijn dat er wordt voorzien in een wettelijke grondslag voor een toezichthoudend orgaan bij verenigingen en stichtingen en de uniformering van de faillissementsaansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders. Zo wordt het voor curatoren eenvoudiger om bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen met succes aansprakelijk te stellen in geval van faillissement.

Hieronder een opsomming van enkele in het oog springende elementen van de Wbtr:

  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor bestuurders als bedoeld in artikel 2:9 BW is ook van toepassing op de taakvervulling van commissarissen van stichtingen en verenigingen (artikel 2:50a BW en artikel 2:300a lid 3 sub b BW);
  • de regeling voor aansprakelijkheid voor onbehoorlijke taakvervulling van artikel 2:138 BW geldt via de schakelbepaling van artikel 2:300a BW voor bestuurders en commissarissen van alle stichtingen en vereniging (ongeacht of die al dan niet commercieel zijn);
  • de Hoge Raad besliste in zijn arrest van 18 september 2019, NJ 2009/438 (Stichting Derdengelden Simon) dat de bestuurder zich in een tegen hem op grond van artikel 2:138/248 BW ingestelde procedure niet kan verweren met een beroep op verrekening met een vordering die hij heeft op de vennootschap. Die beslissing is nu gecodificeerd in het zesde lid van artikel 2:138 BW;
  • in artikel 2:47 BW is een wettelijke basis opgenomen voor de raad van commissarissen/raad van toezicht voor verenigingen;
  • als een bestuurder een direct of indirect persoonlijk belang heeft is hij op grond van artikel 2:239 lid 6 BW verplicht zich te onthouden van de beraadslaging en besluitvorming. Deze regeling geldt nu via artikel 2:47 lid 7 BW ook voor verenigingen;
  • het nieuwe artikel 2:298a BW bepaalt dat de rechter een arbeidsovereenkomst tussen een stichting en een ex-bestuurder niet kan herstellen. Daarmee komt er een einde aan de bijzondere positie van de stichtingsbestuurder en wordt het gelijk getrokken met de statutair bestuurder van een NV of BV.

De Wbtr bevat evenwel meer dan de bovengenoemde wijzigingen. De bestuurders en commissarissen doen er verstandig aan tijdig deskundig advies in te winnen.

Voor meer informatie:

Wilt u meer weten over dit onderwerp of heeft u op een ander terrein juridisch advies nodig, neem dan gerust contact met mij op.

Hasan Kaya
kaya@vanzeijlbijlaartsen.nl
T: 0341-420606

Meer weten?
Wij helpen u graag verder