PREJUDICIËLE VRAGEN AAN HOGE RAAD INZAKE KINDERALIMENTATIE

21 november 2019

De rechtbank Oost Brabant heeft bij tussenbeschikking van 14 mei 2019 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld over een beding dat ouders zijn overeengekomen ten aanzien van kinderalimentatie. In de Wet is in artikel 1:400 lid 2 BW bepaald dat overeenkomsten waarbij van het volgens de Wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, nietig zijn. De rechtbank heeft geconstateerd dat er, gelet op de verschillende standpunten in de literatuur en jurisprudentie, geen duidelijkheid bestaat over het antwoord op de vraag of, mede gelet op hetgeen is bepaald in artikel 1:400 lid 2 BW, het partijen nu wel of niet vrijstaat om met betrekking tot kinderalimentatie een niet-wijzigingsbeding overeen te komen, al dan niet in een beperkte vorm. Daarom is de Hoge Raad om duidelijkheid gevraagd.

Prejudiciële vragen
De rechtbank heeft de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

  1. Is een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie gelet op de aard van de onderhoudsverplichting nietig?
  2. Indien het antwoord op de vraag onder 1 ontkennend wordt beantwoord: is een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie wel nietig wanneer ten nadele van de onderhoudsgerechtigde wordt afgeweken van de wettelijke en in de rechtspraktijk ontwikkelde maatstaven van behoefte en draagkracht?
  3. Dient ingeval het beding geldig is en de toets van artikel 1:159 lid 3 BW moet worden aangelegd deze toets net zo stringent te worden toegepast als bij partneralimentatie dan wel minder stringent?

Van belang zijnde feiten
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren. In de echtscheidingsbeschikking is de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld. Nadien is de hoogte van de kinderalimentatie herhaaldelijk gewijzigd. Na de laatste wijziging van de kinderalimentatie, welke is vastgelegd in een beschikking van de rechtbank van 27 augustus 2013, hebben partijen in aanvulling op de beslissing van de rechter een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst bevat voor zover van belang de volgende afspraken:

1. De man zal aan de vrouw bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voldoen voor [de dochter] van € 325,– per maand met ingang van 1 september 2013. De bijdrage van de vrouw aan de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] is nihil.(..) 3. Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat de hiervoor overeengekomen kinderalimentatie niet bij rechterlijke uitspraak zal worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een (positieve) inkomenswijziging of anderszins verhoging van de draagkracht aan de zijde van de vrouw dan wel de man zal niet tot enige wijziging kunnen leiden. In het geval de man in een werkloosheid- en/of arbeidsongeschiktheidssituatie komt te verkeren en zijn inkomen wordt verlaagd zal om een wijziging kunnen worden verzocht.

Vervolgens verzoekt de vrouw in de procedure die aanhangig is bij de rechtbank Oost Brabant om een wijziging van de beschikking van de rechtbank van 27 augustus 2013 ten aanzien van de daarin ten behoeve van de dochter vastgestelde kinderalimentatie. Volgens de vrouw dient deze te worden bepaald op € 650,– per maand. De man verweert zich tegen dit verzoek en doet een beroep op het niet-wijzigingsbeding dat partijen in de aanvullende overeenkomst zijn overeengekomen.

Het antwoord van De Hoge Raad
De eerste twee vragen lenen zich voor een gezamenlijke beantwoording. Op grond van artikel 1:404 lid 1 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Deze verplichting duurt na echtscheiding voort. De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven.

Op grond van artikel 1:401 BW is het mogelijk om de kinderalimentatie te wijzigen als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1), als de rechterlijke uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4), of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Nadat de rechter bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek heeft vastgesteld dat één van de hiervoor vermelde wijzigings- of intrekkingsgronden zich voordoet, geldt, dat hij zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.

De afspraak die de ouders in deze procedure voor de kinderalimentatie overeengekomen zijn strekt ertoe geheel of gedeeltelijk de wijziging van de kinderalimentatie uit te sluiten. De Hoge Raad is van oordeel dat voor zover een niet-wijzigingsbeding inhoudt of ertoe strekt dat een toename van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een hogere kinderalimentatie, dit beding nietig is op grond van artikel 3:59 BW in verbinding met artikel 3:40 lid 1 BW. Die inhoud of strekking is in strijd met de dwingendrechtelijke bepaling dat iedere ouder ten minste verplicht is naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen.

Voor zover een niet-wijzigingsbeding inhoudt of ertoe strekt dat een afname van de draagkracht van de onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een lagere kinderalimentatie, is dit beding in beginsel niet in strijd met de regel dat kinderalimentatie ten minste aan de wettelijke maatstaven moet voldoen en kan aan dit beding een rechtsgevolg toekomen. Dit kan anders zijn als de onderhoudsplichtige ouder ook onderhoudsverplichtingen heeft ten opzichte van andere kinderen, onder wie kinderen uit andere relaties. In dat geval zou het niet-wijzigingsbeding in strijd kunnen komen met de regel dat bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige rekening gehouden moet worden met de onderhoudsverplichtingen jegens de andere kinderen.

Ten aanzien van de laatste vraag overweegt de Hoge Raad als volgt. Artikel 1:159 BW regelt het niet-wijzigingsbeding bij partneralimentatie. Artikel 1:159 lid 3 BW bepaalt kort gezegd dat de partneralimentatie ondanks een niet-wijzigingsbeding op verzoek van één van partijen toch gewijzigd kan worden op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

Aan analoge toepassing van dit voorschrift op een niet-wijzigingsbeding bij kinderalimentatie bestaat geen behoefte. Indien aan een dergelijk beding rechtsgevolg toekomt, is daarop artikel 6:216 BW in verbinding met artikel 6:248 lid 2 BW (de redelijkheid en billijkheid) en met artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden) van toepassing. Een beroep op die bepaling ligt bijvoorbeeld in de rede als de draagkracht van de onderhoudsplichtige zodanig is verminderd dat hij niet langer in staat in zijn eigen levensonderhoud te voorzien bij het ongewijzigd in stand laten van de vastgestelde kinderalimentatie. Indien een dergelijk beroep slaagt, is de overeenkomst vatbaar voor wijziging op de voet van artikel 1:401 lid 1 BW.

Voor meer informatie:
Tamara Putters
putters@vanzeijlbijlaartsen.nl
T: 0341- 420606

Meer weten?
Wij helpen u graag verder