AB-aandelen bij echtscheiding; nominale of contante belastingclaim?

31 oktober 2014

In het onderhavige artikel worden drie situaties uiteen gezet, waarbij een scheiding en deling van de gemeenschap van goederen aan de orde is. In twee situaties wordt door de Hoge Raad verschillend gedacht over de wijze waarop er rekening moet worden gehouden met de latente fiscale claim. In het geval van een verdeling van aanmerkelijk belang aandelen, heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten en liggen er nog kansen.

Ab-aandelen
De aanmerkelijk belanghouder (ab-houder) betaalt pas belasting over zijn ‘winst’ als hij deze winst uitkeert als dividend of als hij zijn aandelen verkoopt. Als de ab-houder gaat scheiden, vindt er doorgaans een vervreemding van de ab-aandelen plaats. Voor de inkomstenbelasting worden de aandelen voor 50% aan iedere echtgenoot toegerekend. Bij toedeling van alle aandelen aan de “ondernemende” ab-houder, vindt er als het ware vervreemding plaats van de aandelen door de “niet-ondernemende” echtgenoot. Over de belastingclaim hoeft op dat moment echter niet te worden afgerekend. Deze wordt doorgeschoven conform de Wet IB 2001. Maar in de onderlinge verhouding geldt wel de vraag op welke wijze met deze claim rekening moet worden gehouden. Dient daarbij te worden uitgegaan van de actuele (nominale) belastingclaim van 25% of moet deze contant worden gemaakt? Er wordt verschillend gedacht over hoe er moet worden afgerekend en dit hangt uiteraard ook af vanuit welke positie er wordt geredeneerd: de ondernemer of de niet-ondernemer. Doorschuiving van de ab-claim is puur cijfermatig voordeliger, omdat er in dat geval een renteloze schuld aan de fiscus ontstaat. Dit betekent dat de belastingclaim op de contante waarde moet worden gesteld. De hoogte van de contante waarde van de toekomstige belastingschuld is afhankelijk van de netto rentederving en de duur van het verwachte uitstel. Bijstand van een gespecialiseerd familierechtadvocaat is in dergelijke verdelingskwesties essentieel.

Stille reserve vbp-claim 
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er moet worden gerekend met de contante waarde. Omdat de stille reserves in de waardering mee worden genomen voor de werkelijke waarde, moet naar de mening van de Hoge Raad ook de vennootschapsbelastingclaim (vpb-claim) worden meegenomen voor de werkelijke waarde op dat moment. Dat de vpb-claim pas in de toekomst verschuldigd wordt, is niet van belang, omdat het bedrag waarover de vpb wordt verschuldigd ook op dat moment wordt bepaald.

Lijfrentepolis
Daar waar de Hoge Raad nog met de contante waarde rekende bij verdeling van de stille reserve, rekent het bij de verdeling van een lijfrentepolis met een nominale waarde. De redenering van de Hoge Raad komt er kort gezegd op neer dat bij afkoop van de polis, ervan wordt uitgegaan dat de uitkering ook werkelijk plaatsvindt. Omdat over de ‘fictieve’ uitkering onmiddellijk belasting verschuldigd zou zijn, dient ook de belastingclaim op de nominale waarde te worden gesteld.

Conclusie
Uit het bovenstaande blijkt dat in geval van echtscheiding – waarbij sprake is van een gemeenschap van goederen – de wijze waarop de fiscale gevolgen worden benaderd, verschillend zijn. Het is daarom van groot belang dat de cliënt goede bijstand krijgt van een gespecialiseerde advocaat, zo nodig in samenspraak met een fiscalist. Ons kantoor heeft deze specialisten in huis.

Voor meer informatie:
Charlotte Gazendam
gazendam@vanzeijlbijlaartsen.nl
T: 0341- 420606

Van Zeijl Bijl Aartsen Advocaten. Vertrouwd.

Meer weten?
Wij helpen u graag verder