Permanente uitzending niet toegestaan: Hoge Raad benadrukt tijdelijk karakter van uitzendarbeid
De Hoge Raad heeft op 21 november 2025 een belangrijke uitspraak gedaan over de grenzen van langdurige uitzending. De uitspraak bevestigt dat uitzendarbeid naar haar aard tijdelijk moet blijven en dat een vrijwel permanente inzet van dezelfde uitzendkracht bij één inlener in strijd kan zijn met de Uitzendrichtlijn (Richtlijn 2008/104/EG). Hoewel de Hoge Raad nog geen definitief antwoord geeft op de civielrechtelijke gevolgen van een dergelijke schending, heeft de uitspraak potentieel grote betekenis voor werkgevers, uitzendbureaus en uitzendkrachten.
De casus
In de zaak waar de Hoge Raad op 21 november 2025 uitspraak heeft gedaan, ging het om een uitzendkracht die vanaf 2003 – met nodige onderbrekingen en via verschillende uitzendbureaus – werkzaam was bij één dezelfde inlener. Toen de fabriek van de inlener waar de uitzendkracht werkte in 2022 haar deuren sloot, konden de werknemers die een arbeidsovereenkomst hadden aanspraak maken op een sociaal plan. Voor de uitzendkrachten gold dat sociaal plan niet.
De uitzendkracht in deze zaak stelde zich op het standpunt dat door de uitzonderlijk lange duur van de terbeschikkingstelling feitelijk een arbeidsovereenkomst met de inlener was ontstaan. Om die reden meende de uitzendkracht eveneens aanspraak te hebben op de voorzieningen in het sociaal plan.
Oordeel Hoge Raad
Met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie overweegt de Hoge Raad dat de Uitzendrichtlijn vereist dat het tijdelijke karakter van uitzendarbeid daadwerkelijk wordt gewaarborgd.
Dat uitgangspunt geldt niet alleen bij één doorlopende opdracht maar ook wanneer een uitzendkracht via opeenvolgende overeenkomsten gedurende lange tijd bij dezelfde inlener werkzaam blijft. Een structurele behoefte aan flexibele arbeid rechtvaardigt niet dat dezelfde uitzendkracht bijna dertien jaar onafgebroken wordt ingezet.
Wanneer een uitzendconstructie haar tijdelijke karakter verliest zonder objectieve rechtvaardiging, kan sprake zijn van misbruik van de uitzendregeling.
Niet automatisch sprake van een arbeidsovereenkomst
Opvallend is dat de Hoge Raad geen automatische sanctie verbindt aan de ontoelaatbaar langdurige uitzending. De Uitzendrichtlijn schrijft wel voor dat misbruik moeten worden voorkomen, maar laat de lidstaten vrij om passende maatregelen te treffen.
Nu het Nederlands recht geen specifieke sanctie kent voor deze situatie laat de Hoge Raad aan het Gerechtshof Amsterdam over om te beoordelen welke rechtsgevolgen aan het misbruik moeten worden verbonden. Daarmee blijft het vooralsnog onduidelijk of dit kan leiden tot het aannemen van een arbeidsovereenkomst met de inlener.
Wat betekent dit voor de praktijk
De uitspraak onderstreept dat langdurige inzet van uitzendkrachten niet zonder risico is. Organisaties die jarenlang dezelfde uitzendkracht inzetten voor structurele werkzaamheden zullen kritisch moeten beoordelen of de uitzendconstructie nog verenigbaar is met het tijdelijke karakter dat de Uitzendrichtlijn verlangt.
Voor uitzendbureaus en inleners is dan ook raadzaam dat zij periodiek evalueren of de inzet van een uitzendkracht nog echt een tijdelijk karakter heeft.
Voor meer informatie
Heeft u meer vragen of wilt u meer informatie over dit onderwerp, neem dan gerust even contact op.
Luciënne ter Haar
terhaar@vzba.nl
T: 0341-420606
Gerelateerd
-
3 augustus 2026
Permanente uitzending niet toegestaan: Hoge Raad benadrukt tijdelijk karakter van uitzendarbeid
-
25 juni 2026
Is een werkgever aansprakelijk voor RSI-klachten van de werknemer?
-
12 juni 2026
Uitstel beperken compensatieregeling transitievergoeding LAO
-
15 mei 2026
Transitievergoeding: hoe wordt deze vergoeding nu precies berekend?