Het verbod van overdracht of verpanding in inkoopvoorwaarden; oppassen geblazen!

30 september 2014

In ons taalgebruik bestaan verschillende gezegden die uitdrukken dat de kopende partij in het economisch verkeer een sterkere positie heeft dan de verkopende partij, zoals “wie betaalt, bepaalt” en “de klant is koning”. Men zou verwachten dat die sterkere positie door bedrijven zou worden gebruikt om ook de juridische positie ten opzichte van vooral leveranciers in het voordeel van de afnemer/klant te verbeteren, door stevige inkoopvoorwaarden te hanteren. Toch lijkt in het midden- en kleinbedrijf het gebruik van inkoopvoorwaarden eerder uitzondering dan regel.

Inkoopvoorwaarden zullen van bedrijf tot bedrijf verschillen, afhankelijk van de branche waarin de onderneming opereert en de specifieke bedrijfsprocessen. Toch zijn er bepalingen die in alle inkoopvoorwaarden een plek verdienen. Een voor de hand liggende, die meestal als eerste genoemd wordt, is de bepaling die de verkoopvoorwaarden van de leverancier uitsluit of in ieder geval de inkoopvoorwaarden laat gaan boven de verkoopvoorwaarden.

In dit artikel wil ik een inkoopvoorwaarde aan de orde stellen waarover in een eerste half jaar van 2014 veel te doen is geweest; het overdrachtsverbod.

Door het afnemen van goederen of diensten krijgt de leverancier een vordering op de afnemer die hij zou kunnen overdragen of (in verband met de financiering van zijn onderneming) zou kunnen verpanden aan de bank. Die cessie of verpanding kan plaatsvinden zonder dat de afnemer daarvan iets merkt. De leverancier stelt samen met zijn schuldeiser een akte op die wordt geregistreerd. Wil de schuldeiser geld zien, dan doet hij vervolgens mededeling aan de afnemer, die er op dat moment pas achter komt dat hij een heel andere schuldeiser heeft dan de leverancier waarmee hij zaken heeft gedaan. Dat kan onplezierig zijn, bijvoorbeeld omdat die schuldeiser geen affiniteit heeft met de afgenomen producten en alleen maar geïnteresseerd is in de financiële kant van de relatie.

In de praktijk wil het nog weleens gebeuren dat een afnemer de mededeling ontvangt van de bank die van de leverancier een pandrecht op de vordering heeft gekregen, dat hij alleen nog maar bevrijdend kan betalen op een door die bank opgegeven rekening. Stel de afnemer vergist zich en maakt over op de rekening die hij al jaren in zijn betalingssysteem heeft geprogrammeerd. Dat kan uitermate pijnlijk zijn, vooral als het gaat om grote bedragen. Is de leverancier inmiddels failliet, dan kan de bank van de afnemer verlangen dat deze nogmaals betaalt, ditmaal op de juiste rekening.

Het kan dus zinvol zijn om in de inkoopvoorwaarden een overdrachts- en verpandingsverbod op te nemen waardoor het de leverancier onmogelijk wordt gemaakt om zijn debiteurenvordering over te dragen of te verpanden. Tot voor kort was daarvoor voldoende een bepaling in de zin van “zonder schriftelijke toestemming van de afnemer is het de leverancier verboden zijn vorderingen op de afnemer over te dragen en/of te verpanden”. Alternatieve formuleringen waren “zal niet”, “mag niet”, “is niet bevoegd” etc.

De Hoge Raad heeft in een arrest van 21 maart 2014 in de zaak Coface/Intergamma geoordeeld dat formuleringen zoals hiervoor omschreven slechts het gevolg hebben dat de leverancier die toch overdraagt of verpand, wanprestatie pleegt tegenover de afnemer, maar nadrukkelijk niet dat die overdracht of verpanding nietig is en dus geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden.

Dat laatste is juist wat de afnemer zal hebben willen regelen. In een situatie dat hij door de bank van zijn inmiddels failliete leverancier wordt gesommeerd om dezelfde factuur voor de tweede keer te betalen, maar nu aan de bank, heeft de afnemer er niets aan dat hij de leverancier op het matje kan roepen omdat die in strijd met de inkoopvoorwaarden de vordering toch aan de bank heeft overgedragen of verpand. Hij wil de bank kunnen tegenwerpen dat de vordering nooit overdraagbaar of verpandbaar is geweest en dat de bank in feite dus nooit een vordering op de afnemer heeft gekregen.

Het is dus raadzaam om niet alleen verkoopvoorwaarden, maar ook  inkoopvoorwaarden te hanteren. Staat daarin een overdrachts- of verpandingsverbod, dan moet dat tot uitdrukking brengen dat het de bedoeling van partijen is dat de vordering niet overdraagbaar is en dat ook verpanding niet mogelijk is. De formulering van een dergelijke voorwaarde luistert nauw. Daarover adviseren wij u graag.

Voor meer informatie:
Kees Bijl
bijl@vanzeijlbijlaartsen.nl
T: 0341- 420606

Van Zeijl Bijl Aartsen Advocaten. Vertrouwd.

Meer weten?
Wij helpen u graag verder